De situatie
Er komt enorm veel af op mensen die zich, beroepshalve of als betrokken burger, bezig houden met bestemming, inrichting en beheer van landelijke gebieden en dorpen of de stadsranden:
- Veranderingen op het gebied van waterbeheer, natuurontwikkeling, landbouw, mobiliteit, bedrijvigheid en detailhandelsstructuur. Veranderingen waarop je op het schaalniveau van gemeente en regio niet al te veel invloed kunt uitoefenen. Maar je moet ze wel een plek geven, letterlijk en figuurlijk. Soms zijn daarvoor zeer ingrijpende verbouwingen van het landschap nodig. Hoe doen we dit?
- Veranderingen in de door de burgers geprefereerde woonomgevingen. Het bestaande en geplande aanbod is prima geschikt om de woonbehoeften van de meeste mensen te verwezenlijken. Maar voor niet te verwaarlozen minderheden, samen pakweg tien tot twintig procent, geldt dat niet. Er zijn vooral grote tekorten aan ruim opgezette groene woongebieden met grote erven vlakbij goed ontsloten open gebied én vlakbij centrumvoorzieningen, aan woonmogelijkheden in kleine dorpen, in buitengebied en in stadscentra. Die tekorten zijn extra groot voor groepen die zich geen zeer dure woningen kunnen veroorloven. Hoe ontwerpen we dit?
- Veranderingen in wat burgers verwachten van de openbaar toegankelijke ruimte en van wat van daaruit te zien is. De ruimte wordt vooral met vrijetijdsogen gezien, er wordt steeds meer belang gehecht aan herbergzaamheid, aan esthetische kwaliteiten, aan mogelijkheden tot actieve en passieve recreatie, aan contrasten en variatie (ecologisch, cultuurhistorisch, visueel-esthetisch, en vooral in wat je los van officiële categorieën en waarderingen zoal kunt tegenkomen en beleven) en aan een fijnmazige toegankelijkheid dicht bij de woonplek. En aan herkenbare eigenheid van regio en plek: naarmate die meer lijkt te worden overspoeld door overal gelijke uitingen van mondiale dynamiek, wordt die belangrijker in de beleving van de burgers. Welke antwoorden geven we hier?
- Veranderingen tenslotte in het ruimtelijk beleid van het rijk. Het belang van landelijk gebied als open ruimte en als drager van natuur, cultuurhistorie en recreatie heeft in het beleid een prominente plaats gekregen naast de traditionele aandacht voor agrarische belangen. Geleidelijk "landt" in het beleid nu ook het inzicht dat het economisch, sociaal, cultureel en ruimtelijk functioneren van het platteland in hoge mate afhankelijk is geworden van bewoning door een deel van de op de steden georiënteerde bevolking. De omslag van een technocratisch, op afzonderlijke functies gerichte benadering naar een benadrukking van integrale leefomgevingkwaliteit is gaande. Daarbij past ook de toenemende aandacht voor regionale identiteit en planvorming, en voor processen van planvorming waarin de wensen en inzichten van bewoners en gebruikers vanaf het begin worden behandeld als gelijkwaardig aan de doelen en opvattingen van sectorale belangenbehartigers en -deskundigen. Hoe begeleiden we dit?
Ook in Noord-en Oost Nederland zijn deze transformaties volop aan de orde. Dit is de opgave voor de komende decennia. Dat betreft zowel grote projecten en trajecten, zoals de herstructurering van de Veenkoloniën, de Regiovisie, de regeneratie van het watersysteem Hunze / Drentse Aa / Reitdiep, de reconstructie in Salland, of de transformatie van de kop van Noord-Holland. Unieke en spraakmakende opgaven die nog eeuwenlang tot de verbeelding zullen spreken. Maar hoe doen we dit: er zijn nieuwe allianties nodig, nieuwe kennis, nieuwe netwerken Europees en Mondiaal. Nieuwe technieken moeten ontworpen worden, burgers en overheid krijgen nieuwe rollen en taken; mega-investeringen bepalen de agenda. Hiervoor moeten we netwerken bouwen, kennis vergaren van het oude en het nieuwe; we bouwen aan een nieuwe wereld met kennis van verleden, heden en toekomst. Maar daarvoor is een nieuwe kennisinstelling nodig; het gaat hier om een Nieuw Kennisdomein en dat gaan we bouwen!
Alle veranderingen grijpen op een ingewikkelde manier in elkaar. Ze kunnen elkaar danig in de weg zitten, maar ze kunnen elkaar ook versterken. Eigenlijk kan je daar geen categorische uitspraken over doen. Je kunt alleen iets zinvols zeggen over kansen en bedreigingen die op concrete plekken verbonden zijn met een concrete (combinatie van) verandering(en). En over die concrete kansen en bedreigingen kan je alleen iets zinvols zeggen als je de plekken zelf grondig kent, als je ook weet wat ze voor de burgers betekenen, en als je van de veranderingsimpulsen zelf goed weet welke mogelijkheden en vrijheidsgraden er zijn wat betreft locatie, ontwerp, inpassing en combinaties met andere ontwikkelingen. Het nieuwe kennisdomein van de opleiding Management van Mens en Ruimte zal een nieuwe professional creëren die binnen en buiten Europa in ingewikkelde processen aan spraakmakende projecten zal werken. Hij of zijn zal zijn of haar kennis koppelen aan de vele projecten van de Hogeschool en haar netwerk van Werkplaatsen binnen en buiten Europa opdat er steeds maar door aan kennis en kennisontwikkeling wordt gewerkt. Van Hall Larenstein wil geschiedenis schrijven, we willen er bij zijn binnen Nederland, in Europa en bij de grote processen van transitie buiten Europa zoals in het Yunnan van 2006.


